|
In allerlei oude kinderboeken en tijdschriften voor de jeugd
duiken weleens onbekende sinterklaasteksten, vaak liedjes op,
soms met muziek erbij. Hier volgen een paar aardige voorbeelden:
St. Nikolaas bij een' Snoeper.
De trommel is vol nog!
Geen mensch, die mij ziet;
Dus spoedig een koekje,
Dat mist men toch niet.
Help! Hemel, wat is dat,
Wie grijpt mij bij 't oor?
O wee! 't is Sint Niklaas,
Hoe raak ik er door!
Ach, Bisschop van Spanje!
Ach, laat mij maar gaan,
'k Zal nooit aan den trommel
Mijn handen weÍr slaan.
Jan Schenkman (ca. 1850)
Tegen Sint Niclaas
"Morgen dan komt Sint Niclaas;
'k Wacht op zijn presenten.
Wat toch brengt hij mij dees keer?
Sabel, degen en geweer,
Noach met zijn arke weer
Of een boek vol prenten?
Morgen dan komt Sint Niclaas
Met zijn pak beladen;
Wat heeft hij daarin voor mij:
Vestingspel of batterij?
Handboog met een pijl er bij?
Och, dat ik 't kon raden!"
Morgen, dan komt Sint Niclaas,
Maar... niet te nieuwsgierig!
Jongen, denk toch om je schoei!
Zeg eens, hoe leek jou dat toe,
Kreeg je morgen 'reis een roÍ? -
Was dat wel plezierig?
|
J.J.A. Goeverneur (ca. 1870)
Wat hoor ik daar?
Trap-trap! trap-trap!
Wat hoor ik daar?
Sint Nicolaas zijn paardje!
ik zag daar door den schoorsteen net
Zijn mooie, witte staartje.
Trap-trap! trap-trap!
Waar draaft ie heen?
Het eerst naar zieke Keetje,
Want medelij heeft Sinterklaas
Met wie er ziek is, weet je.
Trap-trap! trap-trap!
Waar dn naar toe?
Naar 't arme, oude Brechtje,
Een zak vol turf, en kleeren ook,
Draagt Sinterklaas zijn knechtje.
Trap-trap! trap-trap!
Dan, heel misschien
Naar Broer en mij en Jantje,
Kom, 'k leg wat brood en hooi maar vast
Voor 't paardje in mijn mandje.
S. Maathuis-Ilcken (ca. 1920)
Wie klopt daar aan de kamerdeur?
Wie vraagt er zoo met klem:
"Zijn hier ook stoute kind'ren soms?"
Ik ken de zware stem!
Ik denk, dat ieder kind wel weet,
Wie dit keer binnen treedt.
Daar komt hij met zijn langen baard
En met zijn rooden rok.
Hij heeft op 't hoofd een mijtermuts
En in zijn hand een stok.
Hij kijkt je zoo doordringend aan,
dat niets hem kan ontgaan
Theo v.d. Bijl (ca. 1930)
|